Agenda
-
Geen agendaitems...
Vrij Nederland
Persbericht in Vrij Nederland van 10 september 2005
Persbericht in Vrij Nederland van 10 september 2005
PIONIERS TEGEN WIL EN DANK
Kleurrijk gymnasium
THIJS NIEMANTSVERDRIET
‘Het 4e Gymnasium’ in Oud-West moet het eerste multiculturele gymnasium van Amsterdam worden. Tenminste, dat is de ambitie van de schoolleiding. De ouders hebben hun bedenkingen. ‘Emancipatie kun je niet dwingen.’
Het is eind juni, de proeflesdag van het 4e Gymnasium in Amsterdam. De leerlingen van klas 1B nemen enigszins bedremmeld plaats achter hun kartonnen naambordjes. Ze kijken naar elkaar of naar de grond. Of naar aardrijkskundeleraar Maurik Ros.
‘We leven in een multiculturele maatschappij,’ steekt hij van wal. ‘Weten jullie wat dat is?’ De negentien leerlingen – allemaal wit, op één na – laten een instemmend gemompel horen. ‘Ook deze school wordt straks multicultureel. Is dat leuk of is het een probleem?’ Een leerling antwoordt: ‘Het is leuk. Maar niet als je de enige van jouw cultuur bent. In mijn eentje naar Afrika gaan, dat lijkt me niks.’
Ros schrijft het woord ‘cultuur’ op het bord. ‘Ik hou van al die verschillende culturen. Het is nooit saai. Je ziet overal rare mensen. Toch zijn er genoeg lui die er wél een probleem mee hebben. Daar gaan we komend schooljaar uitgebreid over praten.’ Hij zet een cirkel om het woord cultuur en voorziet deze van vier pijltjes. ‘Culturen verschillen, in heel veel opzichten. Eten bijvoorbeeld. Jullie hebben net boterhammen gegeten voor de lunch. In andere culturen hadden ze nu rijst met curry naar binnen gewerkt.’
‘Eten,’ schrijft Ros bij het eerste pijltje. ‘Godsdienst,’ bij het tweede. En ‘muziek’ en ‘gewoonten’ bij het derde en vierde. ‘Nu wil ik dat jullie in groepjes culturele verschillen bedenken op deze vier gebieden.’ De leerlingen gaan aan de slag. Het godsdienstgroepje somt de drie hoofddoelen van de islam op: een baard, bidden, de koran lezen. ‘Wat goed dat jullie dat allemaal weten,’ zegt Ros. Het eetgroepje dist een lange reeks buitenlandse gerechten op: döner kebab, babi pangang, Turkse pizza, sushi. Ros, schertsend: ‘Jullie hebben een erg exotische smaak. Zijn júllie even blij met de multiculturele samenleving!’ Het gewoontengroepje merkt op dat Indonesiërs hun billen afvegen met hun linkerhand, omdat ze met rechts een hand geven. Er stijgt gegniffel op in de klas.
‘Zo zie je maar,’ besluit Ros. ‘Ieder mens is anders.’
Het 4e Gymnasium aan het Van Oldebarneveldtplein in Amsterdam: honderdzeven leerlingen, tweeëntwintig docenten, acht lokalen en één conciërge. Ontstaan uit een samenwerkingsverband van het elitaire (lees: witte) Barlaeus, het al even homogene Vossius en – opvallend – het Cartesius, een veelkleurig lyceum in Amsterdam-West. Als de nieuwe school over vijf jaar op eigen benen staat, is Nederland voor het eerst sinds decennia weer een gymnasium rijker. En wát voor gymnasium: het 4e moet het eerste multiculturele gymnasium van Amsterdam worden. Tenminste, dat is de ambitie van de schoolleiding. Niet iederéén gelooft dat Turken, Marokkanen en Antillianen hun kroost massaal zullen aanmelden bij een schooltype dat traditiegetrouw vooral de autochtone chic bedient. En die chic zelf heeft ook zijn bedenkingen.
‘Het is voor allochtonen een grote stap om naar een lyceum te gaan, laat staan naar een gymnasium,’ zegt Kaki Markus, een van de ouders uit Amsterdam-Zuid die zich hebben ingezet voor meer gymnasiumplaatsen in de hoofdstad. ‘Dan moeten ze hun kinderen in een andere wijk naar school sturen. Daar zou ik ook niet aan beginnen als ik tot een minderheidsgroep behoorde.’
Het categorale gymnasium is meer in trek dan ooit. Ondanks verwoede pogingen van sociaal-democratische bestuurders om het klassieke onderwijs de nek om te draaien, namen de leerlingenaantallen van de zelfstandige gymnasia in ons land de afgelopen decennia alleen maar toe. In 1968 telde Nederland ongeveer 13.000 gymnasiasten op 56 categorale gymnasia. In 2004 waren er nog 38 gymnasia over, maar was het leerlingenaantal bijna verdubbeld tot 24.000. Hoe meer anonieme leerfabrieken er in Nederland verrezen, hoe aanlokkelijker de geborgenheid van het homogene gymnasium. Dáár kenden de leraren hun pupillen tenminste nog bij naam. En, even belangrijk, dáár moesten leerlingen met taal- of opvoedingsproblemen met een lantarentje gezocht worden.
In de grote steden, waar de meeste achterstandsscholen staan, nam de stormloop op het gymnasium haast hysterische vormen aan. Het Erasmiaans in Rotterdam (950 leerlingen) moest uitbreiden boven op de fietsenstalling, het Stedelijk in Leiden (1550 leerlingen) opent over drie jaar een dependance in een ander deel van de stad.
Maar nergens is de situatie zo nijpend als in Amsterdam. Terwijl elders alle leerlingen met een vwo-advies worden aangenomen, bewaken de hoofdstedelijke gymnasia Vossius, Barlaeus en Ignatius hun kleinschaligheid (750 leerlingen) met een lotingsysteem. Wie een broer of zus heeft op een van deze scholen, wordt automatisch aangenomen. De overige eersteklassers in spe verdwijnen elk voorjaar in de hoge hoed van de notaris. Zo’n honderd hebben er pech. Het gevolg: woede en verdriet op de chique basisscholen in Amsterdam-Zuid die sinds jaar en dag dienst doen als hofleverancier van de gymnasia.
‘Elk jaar zit ik hier met een groep boze en verontruste ouders,’ zegt Koen Kool, rector van het Barlaeus en een van de initiatiefnemers van het 4e Gymasium, terwijl hij wijst op de vergadertafel in zijn state of the art werkkamer. ‘Dan moet ik ze vertellen dat de gymnasiumafdelingen op scholengemeenschappen ook heel goed zijn.’ Sommigen blijven vechten tot de laatste minuut, vertelt Kool. ‘Ze willen hun kind per se op deze school. Linksom of rechtsom. Er zijn ouders die hun kind een jaar lang elke dag op de draagvleugelboot naar het gymnasium in Velsen hebben gezet, in de hoop dat ze alsnog kunnen instromen in de tweede klas van het Barlaeus.’
Dit voorjaar heerste er voor het eerst in vijf jaar een weldadige rust in de werkkamer van Kool. ‘We zijn omgegaan en hebben het 4e Gymnasium opgericht. Dus geen boze ouders meer. Ieder kind in Amsterdam dat naar een zelfstandig gymnasium wil, heeft voortaan een plek.’
‘Het stichten van een kleurrijk gymnasium is bijna een hoger doel in mijn leven,’ zegt schoolleider Hans Verhage (39), tot voor kort geschiedenisleraar op het Vossius. Het is precies waaraan Amsterdam op dit moment behoefte heeft.’ Het 4e Gymnasium mag dan zijn opgericht omdat de blanke upper middle class van Amsterdam-Zuid zijn kinderen niet meer kwijt kon op het Vossius, Barlaeus en Ignatius, de ambities van Verhage en zijn team reiken verder: het 4e moet het eerste gymnasium in Amsterdam worden waar allochtoon en autochtoon gebroederlijk Seneca en Herodotus bestuderen. Op pagina één van de schoolgids wordt ‘de combinatie van klassiek gymnasiumonderwijs en een veelkleurige leerlingenpopulatie’ meteen als unique selling point neergezet. En op de jaarkalender staan tussen alle proefwerken en ouderavonden prominent alle niet-christelijke feestdagen vermeld: ramadan, Jom Kippoer, suikerfeest.
Verhage: ‘Onderwijs is een prachtig instrument voor integratie. Kijk naar al die Indiase en Pakistaanse presentatoren op de BBC die keurig Oxford English praten. Dat komt maar door één ding: onderwijs.’ Zo zou het in Nederland ook moeten, vindt Verhage, maar helaas is het nog lang niet zo ver. Terwijl de Amsterdamse schooljeugd voor meer dan de helft uit allochtonen bestaat, zijn het Vossius, het Barlaeus en het Ignatius nog altijd blanke bastions. ‘Die gymnasia hebben nu eenmaal sterke tradities. En tradities veranderen is een stroperige onderneming. Met deze school kunnen we blanco beginnen, zonder enige ballast van het verleden.’
Een week na de proeflesdag vergadert Hans Verhage met het kernteam. Een rector, conrector of decaan heeft het 4e Gymnasium nog niet: de zeven docenten van het kernteam knappen voor tweehonderd uur extra salaris alle klussen op, zoals de schoolreisjes, de huiswerkbegeleiding, de oudervereniging en het werven van allochtone leerlingen. ‘Een socialistische methode,’ noemt Verhage het met een knipoog.
Er wordt veel gelachen en stevig gediscussieerd. Vrijwel alle docenten zijn afkomstig van een van de drie gymnasia of van het Cartesius, en blijven volgend jaar ook lesgeven op hun oude school. Sommigen zijn jong en gedreven, zoals tekenlerares Bianca Hartjes (24) en biologiedocent Tommie Verheul (27). Anderen zijn juist doorgewinterde onderwijsdieren: informaticadocent Ron Klaver (46) coördineert al vijftien jaar de huiswerkklas van voetbalclub Ajax, wiskundeleraar Ilan Kisch (59) wilde, ondanks zijn naderende pensioen, zijn lange ervaring op het Vossius graag in dienst stellen van de nieuwe school. Allemaal zijn ze naar het 4e Gymnasium gekomen in de hoop op een stevige portie onderwijsvernieuwing – iets waar de oude gymnasia ‘niet bepaald druk mee bezig zijn’, zoals één docent met gevoel voor understatement zegt.
Hans Verhage leidt de vergadering met verve. Hij laat iedereen aan het woord om vervolgens gedecideerd de knoop door te hakken. Nadat het toekomstige proefwerkpapier ter inzage is rondgegaan, komen de speciale onderwijsprojecten ter sprake. Tekenlerares Hartjes gaat met haar leerlingen de lokalen beschilderen met thema’s uit de klassieke mythologie. Van de docent Nederlands krijgen de kinderen een stoomcursus journalistiek, zodat er zo snel mogelijk een schoolkrant kan worden opgezet. Geschiedenisleraar Nico Markus gaat een tentoonstelling organiseren rondom de officiële opening in november, en aan het eind van het schooljaar bedenken de leerlingen zelf een definitieve naam voor hun gymnasium.
Het volgende agendapunt: lesuitval. Wiskundeleraar Benjamin del Canho heeft een origineel idee. ‘Die opvanguren, dat werkt niet. De kinderen vinden dat ze recht hebben op een vrij uur, en dan moeten ze toch in de klas zitten en huiswerk maken. Daarom lees ik tegenwoordig Tsjechov voor. Ik heb een lijst samengesteld van verhalen die precies in één lesuur passen. Terwijl ik lees, mogen de leerlingen doen wat ze willen, als ze hun mond maar houden. Ze vinden het geweldig.’
Del Canho is naar het 4e Gymnasium gekomen met een ideaal. ‘Ik gaf les op het Barlaeus,’ vertelt hij, ‘en daar bracht ik vaak het hoge uitvalpercentage onder allochtone leerlingen ter sprake. Het lag voor de hand dat ze me voor deze school zouden vragen.’ Ook al beschouwt Del Canho zichzelf als een typische gymnasiumleraar (‘aan
vmbo’ers uitleggen hoeveel halve liters er in een liter gaan, dat is niets voor mij’), hij zet vraagtekens bij de eenzijdige leerlingenpopulatie in het klassieke onderwijs. ‘Ouders kiezen heus niet voor het gymnasium vanwege Grieks en Latijn. Het gaat ze er vooral om dat het gymnasium een veilige, witte school is. Het zou mooi zijn als het 4e Gymnasium dat zou kunnen doorbreken.’
Een kleurrijk gymnasium? Socioloog Don Weenink vindt het een sympathiek initiatief. Maar of de multiculturele visioenen van Hans Verhage en de zijnen snel verwezenlijkt zullen worden, betwijfelt hij. ‘Kinderen uit de lagere sociale klassen belanden echt niet zo gauw op een gymnasium. Allochtonen behoren overwegend tot die groep. Waarom zouden zíj nu ineens wél komen?’
In februari van dit jaar promoveerde Weenink op een vergelijkend onderzoek tussen het gymnasium en het tweetalige vwo. Hij ratelt een lange reeks cijfers op waaruit blijkt dat het gymnasium nog altijd de onbetwiste school is van de Nederlandse elite. De financiële elite welteverstaan. De ouders van gymnasiumkinderen behoren tot de acht procent hoogste inkomens van het land. Dertig procent van de ouders heeft zelf op het gymnasium gezeten, een net zo groot percentage is lid geweest van het studentencorps. En het meest opmerkelijke: op de Nederlandse gymnasia zitten verhoudingsgewijs net zoveel kinderen uit de hoogste sociale klassen als op de meest exclusieve Britse privéscholen. Weenink: ‘Onze elitescholen selecteren niet op inkomen, zoals Eton of Winchester. Je hoeft in ons land geen duizenden ponden te betalen om je kind naar een goede middelbare school te sturen – een goed stel hersens voldoet. Maar de culturele barrière blijkt in de praktijk net zo moeilijk te slechten als de financiële.’
De gymnasia zelf valt nauwelijks te verwijten dat ze voor de minder bedeelden nog altijd onneembare vestingen zijn, benadrukt Weenink. Verlichte docenten en schoolbestuurders hebben altijd geprobeerd de poorten te openen voor de lagere sociale groepen. Maar bij de keuze van een middelbare school voltrekt zich een proces dat hij aanduidt als ‘zelfselectie’. Weenink: ‘Het begint al bij de naam “gymnasium”. Ouders die zelf nooit op zo’n school hebben gezeten, denken meteen: o jee, kunnen we dit wel aan? Vervolgens gaan ze naar de open dag van een gymnasium en denken: wat zijn dit voor kakkers? Daar willen we helemaal niets mee te maken hebben.’
Het resultaat: slimme allochtone kinderen gaan naar een scholengemeenschap, die nu eenmaal minder exclusief overkomt. Weenink: ‘Mensen die bezig zijn met upward mobility zien niet het praktische nut van Latijn en Grieks. Een klassieke opleiding vertaalt zich in hun ogen niet meteen in een betere maatschappelijke positie. Dat besef leeft alleen in milieus die al generaties lang hun kinderen naar het gymnasium sturen.’ Uiteindelijk is de schoolkeuze, alle mooie idealen van onderwijsvernieuwers ten spijt, gewoon een kwestie van marktwerking. ‘Scholen zijn een instrument in handen van ouders. Hun macht reikt bijzonder ver.’
Twee van die ouders zitten op een zonnige ochtend aan een grote tafel in de Herman Gorterstraat in Amsterdam-Zuid: Jeanette Bos en Kaki Markus. Jeanettes zoon Tom zit in de tweede klas van het Barlaeus Gymnasium. Kaki’s oudste, Abel, gaat volgend jaar naar de middelbare school, hoogstwaarschijnlijk ook een gymnasium. Om hem voor te bereiden op zijn klassieke vorming kreeg hij voor zijn verjaardag alvast de Vergilius-bewerking van Paul Biegel – al is Kaki de enige die het boek tot nu toe gelezen heeft.
Vorig jaar sloten Kaki en Jeanette zich aan bij een groep ouders van aanstaande gymnasiasten. Het moest maar eens afgelopen zijn met het jaarlijkse lotingsbloedbad, vonden ze. Kon een van de gymnasia, bij voorkeur het Barlaeus, niet gewoon een dependance openen?
Onder leiding van Parool-journalist Paul Westink begonnen ze een campagne om de schooldirecties en de lokale politiek in te palmen. Tijdens een raadsvergadering hield Kaki een vurig pleidooi voor uitbreiding van het aantal gymnasiumplaatsen. Niet lang daarna werd besloten tot de oprichting van het 4e Gymnasium.
Een jaar later tovert de herinnering aan haar finest hour nog steeds een glimlach op het gezicht van Kaki. ‘We hadden dat betoog echt goed dichtgetimmerd,’ vertelt ze, terwijl ze thee inschenkt. ‘Het gebruikelijke verwijt dat we elitair zouden zijn is tijdens de hele vergadering niet één keer ter sprake gekomen.’
Ze zijn echt geen ivorentorenbewoners, bezweren Kaki en Jeanette. Het gaat ze maar om één ding: keuzevrijheid. Ze willen dat hun kind naar een categoraal gymnasium gaat, en niet naar een gymnasiumklas op een scholengemeenschap. Want daar vindt geen ‘synergie’ plaats. Op een zelfstandig gymnasium zijn alle vakken geïntegreerd. Alles is gericht op de klassieke vorming, ook bij Frans of wiskunde. Op een scholengemeenschap ontbreekt die gemeenschappelijke noemer. Leraren hebben daar eerst een 4-havo-klas, vervolgens 2-vmbo en ten slotte nog eens 3-gymnasium. Dan krijg je toch geen klassieke vorming?’
Jeanette: ‘Op een categoraal gymnasium zitten gelijkgestemde mensen die allemaal één doel nastreven.’
Kaki: ‘Er lopen zoveel kinderen rond van wie je zegt: dat is nou echt een gymnasiumleerling. Je bent als maatschappij toch gestoord als je die niet koestert?’
Jeanette: ‘Wees nou eens blij dat er slimme kinderen zijn, in plaats van er altijd maar tegen aan te schoppen.’
Kaki: ‘Mensen uit de hogere inkomensgroepen willen hun kinderen toevallig op een gymnasium. Nou en? Voor ons mag de gemeente ook wel eens wat doen. Er is zo veel aandacht voor de sociaal zwakkeren! Mensen zoals wij worden altijd in een hoek gezet. Je mag niet te veel verdienen, want dan ben je verdacht.’
Terwijl er thee wordt bijgeschonken, komen de multiculturele plannen van het 4e Gymnasium ter sprake. Jeanette begint monter: ‘Het is goed dat het 4e Gymnasium in Amsterdam-West staat. Dat is een toegankelijke plek voor allochtonen.’
Kaki is minder gecharmeerd van al die verhalen over veelkleurigheid: ‘Emancipatie kun je niet dwingen. Er zijn veel getalenteerde Turken en Marokkanen, absoluut. Die komen eraan en daar ben ik helemaal niet bang voor. Maar uiteindelijk moet iedereen naar de school die bij zijn niveau hoort. Als de meeste leerlingen op een scholengemeenschap zwart en op een gymnasium blank zijn, dan is dat maar zo.’
En daar is Jeanette het eigenlijk wel mee eens: ‘Het gaat altijd over pluriformiteit. Maar een tweedeling zal er hoe dan ook blijven bestaan.’
Kaki: ‘Ik vind het best boeiend om met iemand van een andere bevolkingsgroep te praten. Maar ik heb al genoeg kennissen en vrienden. Het is nu eenmaal prettig om met dezelfde soort mensen om te gaan. Ik heb geen zin om in mijn vrije tijd voortdurend op mijn tenen te lopen. Voor je het weet, zeg je iets verkeerds of geef je een hand terwijl dat niet mag.’
Bij de laatste kop thee gaat het over de toekomst van het 4e Gymnasium. Wat als het succes van het klassieke onderwijs aanhoudt, en ook deze school straks vol zit? Kaki, gedecideerd: ‘Dan komt er een vijfde gymnasium. En een zesde. Waarom niet? Als ik ergens gelukkig van word, is het een stad met veel gymnasiasten.’
Op de laatste dag van de grote vakantie staat Hans Verhage voor het schoolgebouw aan het Johan van Oldebarneveldtplein. De voorgevel gaat grotendeels schuil achter een stellage en van alle kanten klinkt geklop en geboor. Het 4e Gymnasium is nog niet helemaal klaar als de leerlingen deze week hun opwachting maken, maar Verhage ligt er niet wakker van. Hij heeft een veel zwaardere klus voor de boeg: de creatie van een veelkleurig gymnasium. Het wordt geen plotselinge omwenteling, zegt hij, eerder een stapsgewijze revolutie. Maar hij is vastbesloten om die revolutie een handje te helpen. ‘Alle basisscholen hebben tenminste één potentiële gymnasiumleerling. Ook de zwarte.’ Vanaf deze week gaat Verhage leerlingen werven in Amsterdam-West. Abdel Bouchareb, die vorig jaar als eerste Marokkaan eindexamen deed op het Vossius, gaat met hem mee. ‘Zijn ouders konden niet lezen of schrijven,’ zegt Verhage, ‘zijn moeder sprak niet eens Nederlands. Maar door keihard te werken heeft hij het Vossius gehaald. Een beter rolmodel kun je toch niet bedenken?’
